• 1 kg filodeeg
  • boter voor het invetten
  • 500 g walnoten
  • 2 theelepels kaneelpoeder
  • 750 g suiker
  • 450 g boter (geklaard)
  • 150 g griesmeel
  • kruidnagel
  • 250 g honing (vloeibaar)
  • 5 dl water
  • 2 citroenschillen
  • sap van 1 citroen

Bereiding 

Meng walnoten (licht geroosterd, dan verkruimeld), kaneelpoeder en 250 g fijne tafelsuiker in een kom en zet apart. Smelt de helft van de geklaarde boter in een pan en voeg het griesmeel toe. Roer goed door, maar laat het niet kleuren. Laat het geheel afkoelen. Verwarm de oven voor op 180°C .

Vet een bakvorm van 30 x 15 x 5 cm in. Leg er 10 vellen filodeeg in, bestrijk elk vel met boter en steeds met griesmeel (in totaal de helft). Gebruik vooral veel boter! (Wanneer u het filodeeg zelf bereidt, verdubbel dan de hoeveelheden en voeg een theelepel gedroogde gist aan het deeg toe. Verdeel het deeg in 32 stukken en rol elk stuk uit.)

Voeg een laag toe met de helft van het walnoten-kaneelpoedermengsel. Leg hier opnieuw tien vellen filodeeg op en bestrijk deze zoals hiervoor met boter en griesmeel. Vervolg met een laag van de resterende walnoten-mix. Besluit met de vellen filodeeg en gebruik even veel boter als eerst.

Snijd met een scherp mes de bovenkant van de baklava in. Decoreer elke portie met een kruidnagel. Besprenkel de baklava met water en zet 30 minuten in de oven. Draai de oventemperatuur lager tot 140°C en bak de baklava nog eens 2 tot 2,5 uur. De bovenkant moet goudkleurig blijven (en niet donkerbruin worden). Haal de baklava uit de oven en laat afkoelen.

Doe alle ingrediënten voor de siroop (de tijmhoning, 500 g suiker, het water en de fijngetrapte citroenschil), zonder het citroensap, in een pan en breng aan de kook. Voeg het citroensap toe als de siroop aan een lepel blijft kleven en giet de hete siroop over de afgekoelde baklava. Laat het een nacht rusten en geniet de volgende dag van dit lekkers!